📱

Get Our Mobile App

Take your business learning on the go!

Download on the App StoreGet it on Google Play

Waarom zijn sommige kinderen zo onhandig?

Universiteit van Vlaanderen5:59

Transcription

Kinderen zijn best onhandig. Ze vallen van de glijbaan, lopen tegen de voetbaltrainer aan, en stoten hun beker melk weleens om. Maar bij sommige kinderen is die onhandigheid nog wat extremer. Zij krijgen hun veters echt niet gestrikt, trappen altijd naast de bal en die beker melk valt heel vaak om. Ik viel er de hele tijd af. Ik kon er geen seconde op staan.

Wij zijn de Universiteit van Vlaanderen en vandaag gaan we naar een therapiekamp bedoeld voor die extra onhandige kindjes. Want het is echt een aandoening. Het heet DCD. Professor Katrijn Klingels van de UHasselt legt ons uit wat DCD juist is en wat je eraan kan doen.

Elk kind is soms onhandig. Dat hoort bij het opgroeien. Dat een tweejarige nog vaak morst bij het eten, is normaal. Ook voor een achtjarige is dat soms nog moeilijk. Maar bij sommige kinderen is er iets aan de hand. Die kinderen bewegen houterig, botsen tegen andere kinderen op, laten dingen vallen of struikelen vaak. Dat kind heeft misschien DCD.

DCD staat voor developmental coordination disorder. Kinderen met DCD hebben dus moeite met bijvoorbeeld een bal vangen, knippen of leren zwemmen omdat er problemen zijn met de ontwikkeling van hun evenwicht, hun coördinatie en hun kracht. En het is blijkbaar geen zeldzame aandoening. Het komt voor bij een op de twintig kinderen, dus dat wil zeggen: één kind in elke klas.

Voor die kinderen is het ook wel moeilijk, want naast de moeilijkheden die ze hebben in hun motoriek, hebben ze ook vaak een laag zelfvertrouwen en zelfbeeld, zijn ze onzeker en worden ze soms ook gepest. Wanneer gaat het dan mis? Moeten die kinderen wat vaker oefenen voor ze kunnen zwemmen of netjes met mes en vork kunnen eten? Ze moeten inderdaad harder oefenen, maar het is complexer dan dat. Het is niet zo dat een gemiddeld kind tien keer moet fietsen voor hij het kan en een kind met DCD twintig keer moet fietsen voor het lukt. Sommige dingen blijven gewoon moeilijk.

Dat zit zo: wanneer een kind een nieuwe motorische taak moet leren, gebeurt dat in drie fasen. Bijvoorbeeld bij het veters strikken. Je moet eerst vertrouwd raken met de taak, dat is fase één. Dus ik leer stap voor stap wat ik juist moet doen. Ik moet twee oortjes maken, ik kruis de oortjes en ik steek één oortje hierdoor. Zo. En mijn strik is gemaakt. Als dat lukt, ga je die taak verfijnen. Dan ga ik leren dat ik twee even grote lussen moet maken en ook dat ik bij het aanspannen goed aan de twee lussen trek, zodat ik een stevige strik heb. En in de derde fase gebeurt het op automatische piloot. Dus nu kost het me geen moeite meer en kan in terwijl ik strik ook iets anders doen, bijvoorbeeld deze uitleg geven. Als je ook door die fase heen bent, verleer je zo'n taak niet meer.

Maar kinderen met DCD hebben vooral problemen in de laatste fase, het automatiseren. Dat is frustrerend voor hen, want het maakt dat ze ook vaak taken verleren. Bijvoorbeeld, wanneer een kind in de winter laarsjes aandoet en in de lente weer sneakers krijgt, kan het zijn dat de veters binden niet meer lukt. Hoe gek eigenlijk.

Hoe zou dat komen? Is er dan iets mis met hun spieren of met hun hersenen? DCD is een ontwikkelingsstoornis, net zoals een autisme- spectrumstoornis, dyslexie en ADHD. Maar wat de oorzaak is, daar is nog weinig over bekend. We weten dat er niks mis is met het IQ van de kinderen, maar we zien wel dat de ontwikkeling van hersendelen anders verloopt. Waarom dat juist is, weten we nog niet goed. We weten wel dat bij kinderen met DCD een van de twee ouders het soms ook heeft. We weten dat het vaker voorkomt bij jongens en dat het ook bij kinderen die vroeg geboren zijn vaker voorkomt.

Natuurlijk zullen kinderen met DCD ooit hun veters wel leren strikken en het dan niet opnieuw vergeten, maar van DCD raak je niet af. Kinderen met DCD groeien op tot volwassenen met DCD en bij elke nieuwe levensfase horen nieuwe uitdagingen. Zo kan het bij een jongvolwassene moeilijk zijn om met de fiets te navigeren in het verkeer. Je moet je evenwicht houden, je hand kunnen uitsteken, en ondertussen het verkeer ook in het oog kunnen houden. Ze kiezen er vaak voor om bepaalde motorische activiteiten te vermijden. Zo kiezen ze ervoor om geen instrument te bespelen, of om niet mee te doen met een teamsport. Als ze volwassen worden, zijn er zaken die ze wel moeten doen en niet kunnen vermijden in hun werk. Bijvoorbeeld orde houden op hun bureau, een goede planning maken. Daar lopen ze dan tegen aan.

Dus hoewel DCD iets is waar je in principe niet meer van af raakt, is Katrijn benieuwd naar hoe de kinderen zo effectief mogelijk geholpen kunnen worden. Daarom meten Katrijn en haar team voor en na het therapiekamp de hersenactiviteit van de kinderen om dan te kijken wat het effect is van een week lang begeleid te bewegen. Op korte termijn ziet het er in ieder geval positief uit. Zo zagen we de eerste dag een kind dat heel veel schrik had om te fietsen en moeite had om te starten met fietsen en om te draaien. De vierde dag zien we dat het fietsen al veel vlotter gaat, dat hij meer zelfvertrouwen heeft en al probeert op een speciale eenwieler. Dat is wat we hopen met dit kamp. Door heel intensief een week lang te oefenen, hopen we dat een kind zijn evenwicht en zijn grove motoriek zal verbeteren maar ook dat het zelfvertrouwen en het plezier in bewegen zal verbeteren. Dat zou voor ons een heel grote stap zijn.

Dank je wel om deze video helemaal uit te kijken. Wist je trouwens dat wij ook podcasts maken? Elke donderdag komt er een uit en die kan je beluisteren via eender welke podcastapp en op VRT MAX. Tot de volgende.