📱

Get Our Mobile App

Take your business learning on the go!

Download on the App StoreGet it on Google Play

Ds. M. van Kooten | Heidelbergse Catechismus Zondag 7 | Het ware geloof |

Evangelie Herauten1:03:30

Transcription

De gemeente. Eén van de dingen, eh, die vandaag in de belangstelling staan. En ik zeg niet dat dat onbelangrijk is uiteraard, maar het is dat een mens een dak boven zijn hoofd heeft. Nou kan ik de discussie niet altijd begrijpen, want het blijkt dat iedereen voor zich een huis blijkt te moeten hebben. Dus als iemand zegt van: "Nou, ik zit, eh, ik ben 30, ik kijk nog niet uit naar een ander, maar ik zit toch nog aardig bij mijn vader en moeder," dan blijkt het toch zo te moeten zijn dat hij toch absoluut ook een dak boven zijn hoofd moet hebben, terwijl die mensen er heel veel plezier van zouden kunnen hebben met elkaar. Zo, hè. Maar goed, dat is nou eenmaal zo.

We vinden nu niet meer zoals dat vroeger stond van, ehm, eh, hoe heet hem? Eh, eh, Lazarus en Martha en Maria. Die woonden met zijn drieën in één huis en die hebben het nog goed met elkaar gehad. Nou, je zou zeggen: "Daar moeten drie villa's staan of zo, hè," zoiets. Eh, goed, maar een dak boven het hoofd hebben we allemaal nodig. Een dak boven het hoofd hebben we allemaal nodig, en eten en drinken ook.

Maar het hoogst nodige is toch dat we het geloof deelachtig zijn. Dat heeft de hoogste prioriteit. Want ik lees in het woord van God, ik denk aan Hebreeën 11, daar staat: "Zonder geloof is het onmogelijk om God te behagen." Als je geen geloof hebt, kun je God niet behagen. En als je God niet behaagt, dan betekent dat eeuwig omkomen. Het woord spreekt meerdere malen over de noodzakelijkheid van het geloof. Want er staat ook: "Al wat uit het geloof niet is, dat is zonde." En weer zoiets: "Uit geloof niet heb." Alles wat je doet, het is zonde. Al wat het geloof niet is, is zonde. Doe je hele mooie dingen en toch zegt de Heere: "Het is niet het geloof." Dan is het zonde. Dan is het zonde. En dan is zonde dat een huis wordt gebouwd zonder het geloof. Nou ja, zeg je: "Ja." Nee, dat is gewoon wat Gods woord zegt. Al wat uit het geloof niet is, daar is de zegen niet op. Geloof hoog nodig, broodnodig.

Ik zoek ook nog verder. En dan staat er dat de Heere zegt: "Beproef jezelf of je in het geloof bent." Dus ik moet me elke keer weer onderzoeken. Ben ik nou in dat geloof? Vertrouw ik nou op de dierbare Middelaar? Dat is nou het hele leven. Heb ik dat geloof nou? Steun ik nou op die enige Middelaar Gods en der mensen?

Nou moet je met dat geloof ook nog oppassen, want er zijn mensen die hebben een geloof. Nou, dat ze bergen verzetten. Je hebt mensen die hebben een geloof zo groot, daar hebben ze hun leven voor over. Nou, zegt er één: "Dan heb je het." Maar dat kan allemaal een geloof zijn zonder de liefde. Dus dat is een geloof zonder het vertrouwen op de Middelaar. Nou, daar spreekt de Heere ook geen goed woord voor over. "Al had ik zulk een geloof, het zou mij niet baten. Ik was als een klinkende schel, een klinkend metaal."

Wat moeten we dan hebben? Het geloof waar onze catechismus van spreekt in Zondag 7. En dat willen wij dan ook gaan doen. Zondag 7 van onze Heidelberger Catechismus. En dan nemen we die hele zondag. We hebben het wel eens in stukjes gedeeld, maar nou maar eens een keer helemaal.

"Worden dan alle mensen door Christus zalig wederom, zoals ze door Adam zijn verdoemd geworden?" Nee, zij. "Maar alleen degene die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen."

"Wat is een waar geloof?" "Niet alleen een stellig weten of kennis waardoor ik alles voor waarachtig houd wat ons God in zijn woord geopenbaard heeft. Maar ook een vast vertrouwen, terwijl de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wil."

En dan 22: "Wat is dan een christen nodig te geloven?" "Al wat ons in het evangelie beloofd wordt. Hetwelk ons de artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof in een hoofdsom leren."

En hoe luiden die artikelen? Daarom hebben we vanmiddag ook Nicea laten lezen. En van dan daarom nu dus die verkorte versie: "Ik geloof in God de Vader, de almachtige Schepper des hemels en der aarde. En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Heer, die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle, ten derde dagen wederom opgestaan van de doden, opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtige Vaders, van waar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Ik geloof in de Heilige Geest. Ik geloof één heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen, vergeving der zonden, wederopstanding des vleses en een eeuwig leven."

Wij wilden dus vanmiddag stilstaan bij het ware geloof. En dan letten we op drie dingen: de inlijving erdoor. Door het geloof word ik namelijk Christus ingelijfd. De inhoud ervan: wat geloof ik eigenlijk? En dan dus tenslotte ook het, eh, instrument. Lekker. Heb het even door elkaar gehaald. Het gaat dus in de eerste plaats over de inlijving en dan het instrument, hè, het geloof als instrument en tenslotte de inhoud. Dus tenslotte de inhoud.

Gemeente, naar aanleiding van Zondag 7 staan we dus stil bij het ware geloof. We letten in de eerste plaats dus op de inlijving erdoor. In de tweede plaats het instrumentele ervan en tenslotte de inhoud ervan.

In Zondag 6 heeft de catechismusopsteller ons verteld wie Hij is die zalig kan maken. Want we hadden al geleerd, en dat is helemaal gefundeerd op het woord, want anders stond die catechismus tenslotte er niet. En toen hadden we dus geleerd dat het met ons niks gedaan is, hè. We zijn van God afgevallen in het paradijs. En met alle beste wil van de wereld kunnen we het nooit meer goed maken wat we stuk hebben gemaakt. Nou ja, stuk, kapot, vernield. We hebben er een chaos van gemaakt. Laten we het maar heel duidelijk stellen, want als je iets kapot maakt, dan is het nog te repareren. Tenminste, dat valt mij nou wel eens op. Oh nee, dat is nu wel te repareren hoor. Maar hier is niks meer aan te doen. Niks meer. Daar moet een wonder van de hemel aan te pas komen.

Is er nog een weg ter ontkoming? Ja, dat is er zeker. Maar aan Gods recht moet volkomen genoeg gedaan worden. En wie is dan degene die dat kan? Nou, die moet God zijn en mens. Ja, die is er niet. Die is er niet. Er is niemand die God en mens is, want we zijn allemaal gevallen mensen. Dus er is niemand op aarde te vinden. Je kunt nog zo'n vrome man of zo'n vrome vrouw opzoeken en je hebt hele vrome mensen. Ik bedoel het heel oprecht. Je hebt hele voorbeeldige kinderen van God. Maar ja, ze hebben allemaal zonde. Hebben allemaal zonde. Er is niemand die een schone lei heeft. Het is waar. Er zijn mensen die hebben gruwelijke zonde en anderen hebben blinkende zonde. Dat klinkt nog een klein beetje anders en het ziet er nog een beetje anders uit. Maar er is niemand volmaakt, ook helemaal niet tot één toe. Er is ook niemand zonder zonde, niet één toe.

En dan, er is er wel één. Wie is Hij dan? Ik ben toch wel nieuwsgierig, want het gaat maar door, hè? Want de klok gaat maar door en het leven gaat voorbij en ik heb nog steeds niemand. Ik heb nog geen één vast. Wie is Hij dan? Nou, onze Heere Jezus Christus die ons van God geschonken is tot rechtvaardigmaking, heiliging en een volkomen verlossing.

Zeg maar: "Wat kan ik van Hem lezen?" Ik vind geweldig wat ik nou hoor. "Maar hoe kom ik daar nou? Hoe?" Nou, dat kun je vinden in het heilig evangelie. Zeg eens: "Waar kan ik dat vinden?" Nou, je hoeft niet ver te bladeren, joh. Je hoeft helemaal het Nieuwe Testament nog niet eens te hebben. Daar staat het meeste wel in, maar je kunt beginnen. Ga maar Genesis 3 toe, dan begint het met die moederbelofte en dan gaat het, oh ja, even en van de patriarchen en en Jesaja en de ceremoniën. Maar het is tenslotte het heerlijkst in de Heere Jezus verklaard.

Nou mensen, je zou toch zo'n boodschap horen. Er is redding, er is zaligheid, er is verlossing. Dan wil iedereen dat toch zeker wel hebben. Dan loopt toch storm op weg naar Bethlehem. Dan loopt toch storm daaronder wol. Jawel, dat is heel, het loopt storm. Maar om te zeggen: "Weg met deze." En dat is ook de vraag en zoals die gesteld wordt met het antwoord. Dan wordt er gevraagd namelijk: "Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, zoals ze door Adam zijn verdoemd geworden?" En de opsteller zegt dit niet om eens even te gaan vertellen: "Mensen, ik zal eens gaan vertellen dat er bijna niemand zalig wordt." Nee, zo is het helemaal niet hoor. Want het is hier niet een oude criticus die zou zeggen: "Nou, we zullen ze alles gaan ziften en en wegen, want jongens, zou er eens meegesmokkeld worden." Helemaal niet. Die man heeft een gunnend hart. Een gunnend hart. Jawel, mensen die gunnen het niks. Ze staan er zelf ook buiten trouwens, maar die geloven het van een ander niet. En, eh, ja, de enigen die ze geloofwaardig vinden, dat zijn ze zelf. Maar dat is hier helemaal niet aan de orde. Dus het is hier niet iets van een boosaardige aard. "Ik zal eens al die mensen die denken dat zo maar kan." Nee, het is hier een hele verdrietige conclusie. Een hele verdrietige conclusie. We worden niet allemaal automatisch zalig zoals we allemaal automatisch, bij wijze van spreken, in Adam verloren liggen. Nee. Nee.

"Worden alle mensen wederom door Christus zalig, zoals ze door Adam zijn verdoemd geworden?" Nee. Nee. Ach, echt niet. "Alleen degene die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen." Er zijn wel mensen die dat denken dat iedereen zalig wordt. Dat, eh, had je in de vroege kerk al, dat was een Origenes en die zei: "Oh nee, we worden allemaal een keer zalig, hoe mensen het ook door afgebracht heeft. Misschien moet hij wel een poosje in een proefbad, maar het komt een keertje goed." En er is nu, ja, er zijn nu toch ook wel theologen hoor die durven dat zo 1, 2, 3 niet te zeggen, maar die hebben de hel ook op slot gedaan. Die zeggen: "Ja, dat strijkt toch wel met Gods liefde om iemand zonder klokken en zonder tijd eeuwig te laten branden in de buitenste duisternis." Kijk, er zijn natuurlijk schurken van mensen, schoften van mensen. Er zijn, oh, die hebben bloed aan hun geweten. Maar zeg: "Op een gegeven moment dan is er toch wel een keer een pardon bij God." Ja, dat is niet waar. God gaat een keer in het gericht. En als je aan de verkeerde kant staat, dan moet je er voor eeuwig aan geloven. Het hoeft niet, maar dat gaat wel gebeuren. Wie met de Heere en zijn belofte spot, die zal erachter komen wie en wat God is in zijn recht. Want het is waar dat de Heere zegt dat Hij een God is die de afvalligen toornt en dat we in Christus zien de barmhartigheid van God. Maar als die genadetijd verknoeid wordt, dan zien wij weer een grimmige God.

Dat zien de mensen in de hemel niet hoor. Dat zien ze niet. Dat zien ze niet. Of zien ze het toch en zullen ze dan blij zijn in het ondergaan van de vijanden? Zoals die Mirjam met de tamboerijn stond. Kijk, daar gaat ze. Die farao met al zijn heer in de Rode Zee verdronken. Ze staat daar te trommelen met die tamboerijn. Je weet wel, zo'n zo'n zo'n trommeltje met allemaal van die van die van die belletjes rondom. Daar staat ze te huppelen. Hij is, hij is naar de haaien, die farao met heel zijn leger. En dat kan niet. Nou is een mens aan de kant van God. Hier is hij nog met pardon bewogen en met gebed voor de vijanden. Maar als de tijd aanbreekt, de Heere zal opstaan tot de strijd. Hij zal zijn haat wijd en zijd verjaagd, verstrooid, zuchten. Het kon dan wel eens wezen, jongens en meisjes, als je een vader en een moeder hebt die aan de kant van God staan en die nou zo hartelijk bidden en zuchten om je bekering, dat ze dan mee gaan lachen in je verderf.

Het moet zover is het nog niet en het hoeft zover ook niet te komen. Want iemand kreeg: "Ja, wat we nou toch allemaal vanmiddag worden." Dat hoeft helemaal niet, mensen. Je hoeft niet verdoemd te worden. Je hoeft niet verloren te gaan. Je hoeft niet, hoeft helemaal niet. Hoeft niet. Want we mogen de genade Gods verkondigen. Maar het is niet zoals Andrew Gray ergens zegt. Het is niet zo dat de hemel een publieke herberg is waarin iedereen welkom is zonder heiliging. Zonder heiligmaking. En daar bedoel ik nou niet mee zonder wat ik doe na ontvangen genade, maar zonder bekering en wedergeboorte zal niemand God zien.

En daarom zegt onze catechismus heel terecht: "Alleen degene die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen." Nu wil ik, ja, ach mensen, het is bij een catechismus toch ook altijd wel een beetje zo dat ook wat leerstellingen naar voren gebracht worden. Maar ja, dat is toch ook geen probleem, want we moesten acht op onszelf slaan en op de leer, hè. Dat staat in Gods woord, hè. Het is nog niet zo dat is van: "Nou ja, we horen wel wat." Maar de leer is toch ook een wezenlijk iets in Gods woord. Ik zeg niet dat we alles tot in de finesses kunnen weten, maar er is wel iets van de leer, de hoofdsom van de leer. En die mag duidelijk zijn. En de hoofdsom van de leer is onder andere de verzoening door het bloed van de Heere Jezus, en dat wedergeboorte noodzakelijk is.

Alleen gebeurt het nog wel eens, en ik denk toch dat ik een kleine uitwijding moet maken. Het gebeurt wel eens dat de wedergeboorte een zodanige aparte, eh, eh, positie krijgt in de prediking en in de theologie en waar eigenlijk het ware geloof er bijna maar een beetje bij hangt. En dat je opeens andere gangen in het leven van een mens gaat krijgen. Dat hij begint te treuren over de zonde en dat hij een beetje met zielen vragen komt te lopen. En dat hij kinderen van God op gaat zoeken. Dat hij trouw naar de kerk komt en zo en de Bijbel gelezen, knieën buigen, zeg: "Nou, het is een ernstige man. Daar zal wel wat mee aan de hand zijn." Hoeft niet. Hoeft niet. Dat hoeft helemaal niet. Maar dat kan zo weer voorbij zijn. Hoeft niet.

En ik heb gelezen in de, ja, dat had nou, ik zou zeggen, hij heeft al zo vaak gepreekt, maar het is me nooit opgevallen. Maar in de afgelopen week toen werd ik erop gewezen tweemaal dat iemand zei: "Ja, in het Kort Begrip daar staat het zo, eh, over het ware geloof." In het Kort Begrip, eh, staat het bij vraag en antwoord 18. Zo. Eh, daar wordt de vraag gesteld: "Zullen ook alle mensen door de Middelaar Jezus zalig worden? Gelijk ze allen door Adam zijn verdoemd geworden?" En dan zegt het Kort Begrip: "Nee, zij, maar alleen die Hem in waar geloof aannemen." En dan zijn er van die theologen die zeggen: "Ze, dat gaat mis, dat gaat mis. Daar waren ze iets te snel, want ze moeten eerst Hem ingelijfd worden en dan komen ze met de wedergeboorte." Maar hier staat: "Door het geloof ingelijfd."

Want kijk, dan wordt er wel eens gezegd, dan heeft een mens, dan is die wat ernstig geworden en dan is hij toch ergens al verbonden aan de Middelaar. Dan is hij toch ergens verbonden aan de Heere Jezus. Hij voelt het allemaal ook niet nog zo en hij ervaart dat allemaal nog niet zo. Maar ja, je kunt toch moeilijk zeggen als die jongen of als dat meisje nou schreeuwt naar God en vraagt om vergeving van de zonde, je kunt toch moeilijk zeggen dat zo'n kind genade heeft. Ja, dat kan allemaal nog zonder genade.

Want wanneer ben ik Christus nou ingelijfd? Door Hem te vertrouwen op zijn woord, door de overgave, door te kruipen. Ja, dat weet ik al. Weet u het echt? Het is een wonder. Ik, eh, ja, we hebben nou geen kippen meer, maar, eh, ik heb me er wel eens over verbaasd. Ik vond dat zo mooi op een gegeven moment, ik dacht: "Waar zitten die kiekens nou? Waar zitten die kuikentjes nou?" En dan zie je opeens tussen de veertjes zie je opeens zijn koppie eruit komen. Die waren nou helemaal in die hen. In die hen. En dat is nou wat het waarachtige geloof is. Die zijn in Hem. Die, die worden uitgehouden, afgehouden uit een bepaalde stam, de stam van Adam. En ze worden ingelijfd in Christus. Dat gebeurt, dat doet een ander, maar het wordt ervaren door het geloof. Ik geloof niet dat de mens onbewust is in die dingen.

Als nou Petrus zegt: "Uft, is Hij dierbaar." Dan zeggen we niet: "Ja, zeg mensen, maar Christus is nog een hele grote verborgenheid." Alsjeblieft zeg, weet je wat ik dan moet doen? Als dat zo is, dan moet ik alles op alles zetten om Hem te openbaren. Hier is Hij. Hier is Hij. Echt, weet u nog van die pater die onder zijn pij vandaan zo'n crucifix hadden. Hier is Die. Zie op Hem. Dat moeten we doen. Zie op Jezus. Zie op Jezus. Zie op die algenoegzame Middelaar. Ik moet het evangelie verkondigen.

Ik denk aan Miss Kotte. Ja, dat was nou niet een echt gereformeerd man, maar vooruit, die man heeft soms ook hele mooie, prachtige dingen gezegd. Prachtige dingen. Ik ben van de week nog een mooi citaat van die Miss Kotte tegengekomen. Dat ging over het Hooglied van Salomo. Vond ik zo mooi. Toen zegt die man, hij zegt: "Die chassidische joden die zitten nog helemaal zo gek niet. En die gereformeerde mensen met Helmbroek ook niet, want het gaat over Christus is een bruidskerk." Ik dacht: "Nou, dankjewel, Miss Kotte. Dat vind ik nou mooi om te lezen van je. Dat vind ik nou zo mooi." Die man heeft ook gezegd: "We moeten niet over de Heer praten, maar over de Heere." Vond ik ook zo mooi van die man die lid van de Partij van de Arbeid was. Wonderlijk, hè? Nou, ik ben het ook van die partij, maar dan werkt u zaligheid met vrezen en beven. Want het is God die in u werkt, beiden, het willen, het werken als een welbehagen. Maar vooruit, dat is een politiek iets, perspectief. Dat laten we nou verder rusten.

Want die niet werkt, maar gelooft in Hem. Dat is punt. Het geloof. Het geloof dat neemt Christus en al zijn weldaden aan. Het geloof dat is een vertrouwen van het hart. Dat, dat, dat gebeurt, dat doet God. Er is een ogenblik in je leven. Bij de één die kan het precies aanwijzen. Bij de ander gebeurt het al, maar je bent je eigen baas niet meer. Maar je kunt het niet meer tegenhouden. Ik moet wel op Hem vertrouwen. Heb je daar een hekel aan? Helemaal niet. Helemaal niet. Daar heb je helemaal geen hekel aan, maar je mag het met blijdschap, je mag het met vermaak constateren. Dat zeggen die die Dordtse vaderen ook, hè. Dat vind ik ook een hele mooie, eh, uitdrukking. Die vinden wij dan in Dordtse Leerregels artikel 3 en 4. En dan staat er: "De wijze van de werking van de wedergeboorte kunnen de gelovigen in dit leven niet helemaal begrijpen, maar ze stellen zich daarin gerust dat ze weten en voelen dat ze door deze genade Gods met het hart geloven en hun Zaligmaker liefhebben."

En als we dat niet leren, nou ja, dan hebben we een beetje vrome mensen en ernstige mensen, hè. Maar ja, wat heb je dan nog meer? Wat heb ik nu meer? Jezus, uw verzoenend sterven. Dat is het rustpunt van mijn hart. Als dat er toch niet is, dan doen we die lieve naam toch zo tekort. Dan noemen we die lieve Zoon van God toch zo tekort. Die de Zoon van God heeft, die heeft het leven. En wie de Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet. Vertrouw op Hem geheel en al. Je bent eigen baas niet, maar je gaat dat evangelie lezen. Je wordt er zo bij betrokken. Je schaamt je weg voor de zonde. Maar ondanks alles zeg je met die Kanaänese vrouw: "Ik ga achter U aan hoor. Ik ga achter de Heere Jezus aan. Ik ga achter Hem aan." "Ik ben niet gekomen dan voor de verloren schapen van het huis van Israël." "Nou, wegwezen dan." Nee hoor. Nee hoor. Nee hoor. "Mijn ziel kleeft U standvastig aan." En dan is het: "Het is niet betamelijk om het brood van de kinderen te nemen en de hondjes voor te werpen." Nou, maar het geloof dat zegt toch dit: "Ja, maar de hondjes eten ook van de kruimeltjes die vallen van de tafel van hun." Dat mensen kan helemaal niks bekijken. Maar ze ziet alleen maar die dierbare Middelaar, oh, Hem te kennen, Hem meer en meer te kennen, onder zijn vleugelen te mogen verkeren. "Ik laat U niet gaan, tenzij Gij me zegent." En dan zegt die vrouw: "Groot is je geloof." Of: "Ik heb in Israël zo'n groot geloof niet gevonden."

"Allen die Hem door het ware geloof worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen." Gemeente, door het geloof gebeurt dit. We moeten dus niet zeggen: "Eerst vindt er een wedergeboorte plaats en ja, is er dan, ja, dat dat weten de mensen zelf nog niet, maar ze ze hebben toch het nieuwe leven. Dat moet nog tot ontwikkeling komen." Ja, waar ze dat vandaan halen weet ik niet, maar ik heb er niks aan. Maar ik heb er niks aan. Ik moet een borg hebben voor mijn ziel. "Mijn ziel kleeft U standvastig aan." Daar loopt het over, mensen. Want anders dan zouden we elkaar wat wijs kunnen maken. Maar Jezus hebben. Ik moet Jezus hebben. Ik moet Christus hebben. Ik kan niet buiten Hem. Geen enkele schreeuw.

Nou, en dan gaan we eens kijken: "Wat is nou zo'n waar geloof, hè?" "Wat is nou een waar geloof?" Want dan gaan we toch eens wat nader kijken naar het instrumentele. We komen ook bij de inhoud. Maar wat is nou een waar geloof? Een waar geloof dat staat tegenover een waangelof, hè. Je hebt, je hebt ook een waangelof, hè. Er zijn mensen die geloven in Boeddha en je hebt ook mensen die geloven, dat zijn er nog meer, die geloven in in die god van de Mohammedanen. Daar word je akelig van. Ja, maar daar gaat het allemaal even niet over. Het blijkt dat je op grond van het christelijke erf ook bepaalde soorten van geloof hebt. Tenminste die heten geloof, maar ze zijn het niet. Als erop aankomt schrijft de catechismus niet die hele reeks geloven die wij kennen, zoals historisch, wonder, tijdgeloof. Daar spreekt de catechismus helemaal niet over. Dat is de tijd veel te kostbaar voor. Dat doet al helemaal niet mee. En bij geloof al helemaal niet. Dan kunnen wij nog wel eens een poosje over kibbelen en dat is het historisch geloof, tijdgeloof, wondergeloof. Dan wordt hier maar over één geloof gesproken.

"Wat is een waar geloof?" "Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis waardoor ik alles voor waarachtig houd wat ons God in zijn woord geopenbaard heeft." Er staat niet dat het het niet is, maar er staat dat het dat niet alleen is. Hoort u het? Er staat niet dat dat verstand helemaal niet nodig is en dat dat historische feitenkennis helemaal niet nodig is. Nou moet ik wel zeggen, er is een methode en ik heb hem zelf vroeger ook gehad op de middelbare school: namen en feiten en het is allemaal goed bedoeld, maar namen en feiten. Ja, als ik weet dat de Heere Jezus in Bethlehem geboren is, dat is mooi meegenomen dat je dat weet en dat Hij op Golgotha is, eh, gestorven en dat Hij op de Olijfberg is weggevaren naar de hemel en dat de bruiloft in Kana was. Dat zijn leuke dingen om te weten. En ook dat de Heere juist op de bruiloft van Kana was om te laten zien van dat een huwelijk ook bij de Heere hoog in ere staat. En, eh, ja, zo zijn er heel veel dingen te zeggen natuurlijk. De hoofdstad Jeruzalem en die stad die een puinhoop werd, Jericho en dat vervloekt was degene die dat die stad weer op mooie dingen om te weten. En en ook de namen. Mooi. Goed zo. Je weet ze allemaal, de 12 discipelen van de Heere Jezus. En en jij weet ze allemaal, de 12 stammen van Israël. Mooi hoor. En er zijn er nog die zeggen: "Ja, weet je wat ik weet? Ik weet precies die steentjes op het hart van de hogepriester." Ja, dan ben je verder als ik. Dat weet ik niet. Die namen van die mannen die ken ik wel. Maar van die steentjes, dat heeft mijn interesse niet.

Lieve mensen, het is heel mooi om allerlei dingen te weten, maar dat is het niet alleen. "Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis waardoor ik alles voor waarachtig houd wat ons God in zijn woord geopenbaard heeft." Maar er staat tegelijkertijd ook wel dat het er wel bij hoort. Want als ik zeg: "Het gaat om vertrouwen en ik geloof niet wat Gods woord zegt," dat kan natuurlijk niet, hè. Dat kan natuurlijk niet. Het is wel terdege een stellig weten en kennis en dat ik voorwaarachtig houd wat God in zijn woord geopenbaard heeft. Ik geloof dat vast. Ik geloof dat vast. Ik geloof wat er in Gods woord staat. Ik geloof inderdaad, ik geloof inderdaad dat daar die vis Jona heeft opgeslokt. En ik geloof dat vast dat die ezel gesproken heeft. En ik geloof ook zeer vast dat die slang gesproken heeft. En ik geloof ook vast dat de Heere in zes dagen alles geschapen heeft. Dat is voor mij onomstotelijk vast. En dat we allemaal zullen opstaan op de jongste dag. Ik geloof het vast en zeker. Mooi. Mooi.

En toch is dat niet genoeg, want er staat van Agrippa dat Paulus zegt: "Ik weet dat gij de profeten gelooft." Ja, dat kan ik in je gezicht wel zien, je gelooft. Die maar zat te luisteren. Luister, vink. Paulus stond te vertellen, prediken. Luister. En dan zegt die man, maar die voelde het wel aan: "Je beweegt mij bijna om een christen te worden." "Je zou toch bijna een christen worden." "Niet bijna, maar geheel," zegt Paulus. "Uitgenomen mijn banden." "Ik zou het je zo gunnen, man. Dat is het grootste geluk wat je kunt indenken. Je kunt hier wel een beetje op de troon zitten, maar ja joh, dat is zo voorbij in dat paleis. Je moet er toch ook een keer uit joh. Maar om nou Hem te mogen kennen." Maar die man die geloofde het wel, maar hij geloofde het ook wel. Ja. Dus aan de ene kant er was een historisch iets. Er staat zelfs van de duivelen: "Die geloven ook, maar ze sidderen."

Het is een stellig weten of kennis dat ik alles voor waarachtig houd wat God in zijn woord geopenbaard heeft. Maar net nog even iets meer. Er zijn mensen die zijn op, eh, en dat is helaas een zonde, op in onze gezindte en misschien in de hervormde gemeente heb je nog wel eens halve mensen. Een beetje die een klein beetje half kerkelijk zijn. Maar als je in afgescheiden gemeenten komt, dan weten ze het nog veel beter. En dan weten ze precies haarfijn alles van de leer. En als je je vraagt van: "Ken je er nou zelf iets van?" "Nee, ik ben normaal." Dat gaat zomaar niet. En dan weet je het precies en dan weet je het precies niet. Dan weet je precies niet. Dan weten ze, dan kunnen ze het analyseren. Ik heb er vroeger op de middelbare school op de Driestar wel, ik misschien wel eens gezegd, maar dat moet je me vergeven dan. Maar ik, ik had gewoon op een christelijke school gezeten en ja, allemaal een beetje, ja, eenvoudig volk in de regio. Wisten wij veel. En toen kwamen we op de middelbare school van allerlei kerkverbanden. Ik struikelde over die woorden die er allemaal gebruikt werden. Ja, quasi hoor. Want ik was al een beetje nieuwsgierig. Maar maar wat een een kennis van bepaalde dingen. Ze, ze konden de dingen beoordelen al. Maar wie is de Heere Jezus nou voor je? "Ja," zegt de ouderling, "die en dominee zo, die weten dat wel." Maar wat heb je daaraan? Wat heb ik daaraan? Wat?

Ik heb wel eens van een theoloog gehoord en die zei: "Bij de val zijn onze verstandelijke vermogens niet aangetast." Ik weiger het. Ik waag te betwijfelen. Kijk, na de val weten we nog steeds dat 8 en 8 1 is. Maar na de val is het ook waar het verstand heeft na de ware grond van het weldoen op te merken. En daarom zegt de dichter: "Geef mij verstand met goddelijk licht bestraald."

En wat doet nou het ware geloof? Dat zegt niet alleen: "Het is waar wat er staat en het is betrouwbaar wat er staat en het gaat veel verder." Dat staat, maar het is ook een vast vertrouwen. Daar hebben we net ook over gezongen in Psalm 56. "Mijn vast vertrouwen dat staat op Hem." Het vaste vertrouwen terwijl de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is uit louter genade alleen om de verdienste van Christus wil. Dat is geen doen, maar dat is, dat is een stil vertrouwen. Dan gaat er zoveel uit van die dierbare Middelaar dat ik niet anders kan. Dat kan ik niet onder woorden brengen. Want vertrouwen dat kun je niet onder woorden brengen. Wel zo vaak gezegd, catechisatie ook, vertrouwen is niet onder woorden te brengen.

Maar ik geloof niet dat als er één is die als het ware waar de liefde groeit tussen een jongen en een meisje dat hij toch de hele dag loopt: "Oh, mijn vertrouwen is er zo groot op dat meisje." Heb je daarvan gehoord? "Mijn vertrouwen is zo groot op mij." Maar ik heb dat meisje zo lief. Dat is het. Ik heb dat kind zo lief. Maar niet: "Mijn vertrouwen is zo groot." Daar gaat het helemaal niet over. Het is maar een instrument. Het is maar een instrument. Als ik mijn geloof toch niet had, wat geloof, als ik Jezus toch niet had. Als ik Hem toch niet had. De Heilige Geest werkte het in mijn hart.

Ik las van iemand, dat vond ik wel een aardige uitdrukking. Hij zegt: "Als een blinde man een, eh, een hond heeft, zo'n blindegeleidehond." Ja, je zou zeggen: "Je loopt toch niet achter een hond aan." Maar die blinden doen dat. En dan lopen ze achter die hond aan. Ze hebben dat touwtje, hè, die hond aan de touw. En dat beest dat trekt. En dat, eh, zegt als het ware: "Volg maar, volg maar." En dan lopen die mensen gewoon achter dat beest aan. Achter het beest aan. En weet je wat nou het geloof is? Dat gaat het Lam volgen waar het ook heen gaat. Dat volgt geen hond, maar dat volgt het Lam waar het ook heen gaat. Gaat dat nou wel goed? Nou gaat het door de duisternis. Nu gaat het door diepe dalen en dan nog: "Uw woord kan mij, ofschoon ik alles mis, door zijne smaak in hart en zinnen strelen. In de grootste smart blijft mijn hart in de Heere gerust." Vertrouwen. Vertrouwen. Het wordt door het evangelie in mijn hart gewerkt. Hoort u, door het evangelie, niet door de wet. Want de wet die zegt: "Je deugt niet. Je deugt niet." Maar het evangelie dat vertelt mij: "Hij is getrouw, de bron van alle goed. Hij is al onze achting, al ons vertrouwen waardig." En het gaat gebeuren. Het gaat gebeuren. En alles vertrouw ik. Ik steun op God, mijn toeverlaat.

Het geloof wordt wel vergeleken met een stok, met een staf. Ook dat beeld is zo vaak gebruikt, gemeente, dan is het maar waar die stok geplant wordt. Dat die stok die stel je niet in een moerasje zakje naar beneden, maar die wordt gefundeerd op het fundament van apostelen en profeten, op Christus Jezus alleen. En dan dan zegt dat vertrouwen dat ik mag hebben, dat is climax als het ware, hè, de opklimming. Ik heb vergeving van zonden. Niet alleen anderen. Ja, dat is ook mooi hoor als je dat leest van de vervolgde kerk. Jongens, jongens. En als ik dat lees van de vroegere kerk en als ik dat hoor van anderen. Heb je het gehoord? Die vrouw die is helemaal omgezet. Oh ja, dat is mooi. En u? En ik, en ik. Want ja, er nog nog buiten staat. Nou, ook mij, ook mij. Zegen anderen, maar ook mij. En dan mag ik zeggen: "Nee, het is niet alleen voor anderen, maar notabene ook mij." Wie had het ooit gedacht? Ook ik. Ik, ik heb vergeving van zonde. Zijn dat speciale zaken? Lieve mensen? Wie in Christus is, wie ingelijfd wordt in Hem, in Hem ziet de Heere geen overtreding meer. Ik ga niet allerlei weldaden onderscheiden, want wie tot Christus komt door het geloof, die is alles. De Heere Christus kijkt als het ware alle zonde weg. Alle zonde weg. Het is niet zo dat de mens kan zeggen: "Nou lig ik voor, nou lig ik aan de voeten van de Heere Jezus." Ik Hem omhels, ik mijn schuld nog. Nee, wel nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee. Alles weg door het zien op het Lam van God. "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe." En dan ook eeuwige gerechtigheid en zaligheid. Oh, zaligheid niet af te meten. Zaligheid niet af te meten. Overreugd die alle smart verband. Daar is de vreemdelingschap vergeten. Daar zijn wij in het vaderland. En het is allemaal geschonken uit loutere genade. Alleen, alleen, werkelijk alleen. Daar komt geen nagelschrapsel van me bij. Alleen om de verdienste van Christus wil.

Dat had die dominee de Kok nog nooit gehoord. Die arme man die stond daar in Groningen in Ulrum en toen kwam die op bezoek bij een oud mannetje. En van het oude mannetje had hij ook geleerd dat de gezangen niet deugen. Nou ja, er waren ook hele mooie gezangen. Dat laten we dat vergeven we die man. Dat hoef ik trouwens niet te doen. Dat komt er vandaan. Maar goed, maar die heeft hem ook heel veel dingen geleerd die die beter niet had kunnen leren, die de Kok. Maar wat hij wel had mogen leren, dit, dat hij zei: "Joh, als er nog een nagelschrapseltje van me bij was, dan was het kwijt." Dat had hij nog nooit gehoord. Had hij nog nooit gehoord? Ik hoop dat je het ervaren hebt. Was er een nagelschrapseltje van ons bij, dan moest het verloren. Maar alleen de verdienste van Christus wil.

Nu gaan we zingen en dan gaan we, want ja, we willen nog even op de inhoud in. En dan gaan we nu eerst zingen uit Psalm 40, het 4e vers. Psalm 40 en daarvan het 4e vers. "Brandofferen noch offer voor de schuld voldeden aan uw eis noch eer." Niets van ons. Niet uit ons, al uit Hem. Zo komt het in Jeruzalem. 40 vers 4.

Wat is dan een christen nodig te geloven? Trouwens, niet alleen een christen. Dat moeten we allemaal geloven, toch? Niet alleen christenen, dat moeten we allemaal geloven. Wat is dan een christen nodig te geloven? Kijk. Dan: "Ik geloof dat de Bijbel waar is." Dat hebben we zojuist al gehoord in de vorige vraag, hè. Niet alleen in kennis en dat ik geloof dat het allemaal waar is wat God in zijn woord geopenbaard heeft. Dat moet je wel doen. Maar dat is niet alleen. Er zijn ook wel mensen die zeggen: "Ja, maar ik geloof dat er een, eh, dat er wonderen kunnen gebeuren en dat God op het gebed nog steeds wonderen doet." En er zijn inderdaad mensen die die daar zichzelf mee, eh, op de been houden. Die zeggen dus gewoon van, ehm: "Joh, ik was heel erg ziek en toen heb ik een gebed gedaan en, eh, toen ben ik genezen." En, eh, daar houden ze zich helemaal aan vast. En zulk soort dingen en, eh, allerlei dingetjes, eh, hele mooie dingen dat, eh, ja, we, we hadden, er was een bepaalde, er was ook iets van een, eh, bij een begrafenis of zo. En toen kwam er een, eh, een, een, eh, hoe noemen ze dat? Een, een zonnestraal die kwam op het graf. Nou ja, dat is toch wel heel bijzonder geweest. En en dus en de en de regenboog weten ze ook overal bij te halen. Ja, dat zijn toch mooie tekenen. Dat zijn toch hele mooie dingen. Ja.

Wat zegt eigenlijk de catechismus? Als een mens kan zeggen: "Ja, maar jongens, jongens, ik heb toch wel iets van Gods goedheid mogen ervaren hoor. Ik heb alles gekregen waar ik om vroeg." Dat is niet waar. Je hebt niet alles gekregen wat je Hem vroeg, want waar je om moest vragen, dat heb je, dat is niet gebeurd. Maar je had een borg voor je ziel nodig. En daar hoor ik je niet over. Ik hoor je wel over uitredding, ook over je mooie dingen, maar dat is niet wie Jezus heeft. Hoe zei leed de boer dat ook alweer? Wat zijn leden boer ook alweer? "Zoek Jezus veel. Zoek Jezus vroeg. En wie Jezus heeft, die heeft genoeg. En als je Hem niet hebt, heb je niet genoeg. Je hebt niks. Heb je niks." Ja, maar het is wel gebeurd. Je kunt het toch niet wegcijferen. Dan heb je niks. Als je Jezus niet hebt, heb je niks. Als je geen borg voor je ziel hebt, heb je niks. Dan heb je even een paar goede jaren hier. En dan ja, dan kom je voor het gericht. Want die de Zoon ongehoorzaam is, de toorn van God blijft op hem.

Wat is dan een christen nodig om te geloven? Nou, alles wat ons in het evangelie beloofd wordt. Dus er wordt niet gezegd van je moet van allerlei dingen gaan doen, hè. Dat was onder de wet zo. Ja, dat was niet zo hoor. Want het is nou niet zo dat in het Oude Testament dat je zalig werd omdat je precies deed wat er in de wet stond. Kom dan gauw. Want toen werd het ook al gezegd: "Nee hoor, brandoffer en en offers die die voldoen niet hoor. Denk er nou om. Je bent dat offer wel aan het brengen, maar het voldoet niet. Je hebt een ander nodig." Zo lag het ook in het Oude Testament hoor. Je gelooft toch zeker niet dat David zijn hoofd heeft neergelegd op het doen van de wet. Dan was hij er buiten gevallen. Maar hij heeft zijn hoofd gelegd op: "De Heere is mijn herder. Mij zal niets ontbreken." Daar heeft hij zijn hoofd op neergelegd, op die goede herder die zijn leven stelt voor de schapen. En daar heeft Jacob zijn hoofd op neergelegd: "Op uw zaligheid wacht ik. Op uw zaligheid. Niet op wat ik gedaan heb. Op uw zaligheid." Nou, al wat ons in het evangelie beloofd wordt. Ja, dat dat zijn Godskinderen, dat zijn wel gelukkige mensen. Ja, maar er wordt jou ook wat beloofd, jongens en meisjes. En u die denkt van: "Ja, dat is voor de kerk." Als de Heere nou zegt: "Ik heb nog nooit tot het huis van Jacob gezegd: 'Zoek Mij tevergeefs.'" Wat zijn dat voor mensen? Je gelooft dat zeker niet het hele huis van Jacob godzalige mensen zei: "Kom nou, was het maar waar. Ik heb nog nooit tot het huis van"

De tekst die u heeft opgegeven, is reeds in het Nederlands geschreven en kan daarom niet vanuit het Spaans naar het Nederlands vertaald worden.