Transcription
We hebben een begin gemaakt met zondag 7. Daar willen we vanavond een vervolg aan geven en daarom lees ik samen met u uit Johannes 15, de versen 1 tot en met 8, en uit Romeinen 4, de versen 1 tot en met 5.
Johannes: Het evangelie naar de beschrijving van Johannes, het 15e hoofdstuk, de eerste acht verzen. En daarna uit de brief van de apostel Paulus, het 4de hoofdstuk, vanaf het eerste tot het vijfde vers. Maar eerst Johannes 15.
Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de Landman. Alle rank die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en alle die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht dragen. Gij zijt nu rein om het woord dat Ik tot u gesproken heb. Blijf in Mij en Ik in u. Gelijk de rank geen vrucht kan dragen van zichzelf, zo zij niet in de wijnstok blijft, alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft. Ik ben de wijnstok, en gij de ranken. Die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen. Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve en men werpt ze in het vuur en ze worden verbrand. Indien gij in Mij blijft en Mijn woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren en het zal u geschieden. Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt en gij zult Mijn discipelen zijn.
Romeinen 4, de versen 1 tot en met 5. Wat zullen wij dan zeggen dat Abraham, onze vader, het verkregen heeft naar het vlees? Want indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zo heeft hij roem, maar niet bij God. Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid. Nu de werkt, wordt het niet toegerekend naar genade, maar naar schuld. Doch degene die niet werkt, maar gelooft in Hem die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.
Zover ik lees met u samen. Zondag 7, vraag en antwoord 21 en 22. Zondag 7 van onze Heidelberger. Zondag 7 staat in het tweede deel van de Heidelberger.
Het heeft iets te maken met de verlossing van ons mensen. Het eerste deel ging over onze ellende, uw en mijn doodstaat, zo noemt hij dat. Maar hier gaat het over zondag 7, over de verlossing van ons mensen. Hoe, op wat voor manier verlost God zijn mensen?
Wat is een waar geloof? Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis waardoor ik alles voor waarachtig houd wat ons God in zijn woord geopenbaard heeft, maar het is meer. Het is ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus wil.
Vraag en antwoord 22: Wat is dan een christen nodig te geloven? Al wat ons in het evangelie beloofd wordt, met welk onze 12 artikelen die ik u voorgelezen heb, beleden heb vanavond, van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof in een hoofd leren.
Ik heb heel de dag nagedacht hoe ik beginnen moet. Ik begin met iets negatiefs. Ik weet dat er in de gemeente veel mensen zijn die zijn bang, bang voor het woordje 'geloof'. Ik vrees dat u bang gemaakt bent voor dat woordje 'geloof'.
Als je lang genoeg op zondag hoort van 'geloven', dan gaat het allemaal zomaar. En bij die dominee, dat hoor je dan zo vaak, hè? Daar ben je zo bekeerd, want daar gaat het allemaal zo makkelijk. Ik weet dat een groot deel van u in ieder geval hiermee aangevochten wordt, laat ik het voorzichtig zeggen, omdat u niet weet wat eigenlijk het woord 'geloof' betekent. Daarom zegt u dat.
En als u heel lang gehersenspoeld bent, dan hoort u het liefste maar platgetreden paadjes en dan wilt u graag van de preekstoel bevestigd horen dat die preek klopt met uw paadjes. Het gaat nu niet om de waarheid, maar om een vertrouwd gevoel. Want als die dominee over geloof begint, dan krijgt u wel een raar gevoel in uw onderbuik. Daar heb je hem weer.
En in de kerk is dat ook een platgetreden paardje. Dan zeggen we: 'Ja, het zit een voet te hoog', en dan bedoelen we natuurlijk: 'Dat is te rationeel.' Maar waar we geen erg in hebben, dat het ook wel eens een voet te laag kan zitten, in uw buik, in uw ervaring, in uw gevoel, omdat het niet vertrouwd klinkt, zit het in uw onderbuik niet goed.
De Heidelberg zegt niet dat het een voet te hoog zit of een voet te laag. Maar de Heidelberg zegt dat het over uw hart gaat. Daar gaat het om, dat het woord, het woord door de [Muziek] oorpoeder, maar dat het niet alleen in je hoofd zit, niet alleen in je hoofd, maar dat het ook geland is in je hart.
Zo begint de Heidelberger ons uit te leggen hoe God werkt. Zo'n platgetreden paadje is misschien ook wel dat u denkt: 'Ik moet aangeraakt worden in mijn hart.' En u vergeet dat God dat doet door de kennis van het woord.
En dan hebben u en mij weer, vergeef het me, maar als u gehersenspoeld bent of dat je altijd de platgetreden paadjes bewandeld hebt en je hoort op de preekstoel of door het lezen dat de dingen anders zijn, dan ga je helemaal over de kop met jezelf en dan kun je het in je hoofd, in je hoofd niet meer op een rijtje krijgen. En dan zit je met de vraag: 'Wat is waarheid? Bedriegt die dominee me niet? Houdt hij me niet voor de gek?' Want als het zo gemakkelijk gaat zoals hij zegt, dat zegt hij helemaal niet, maar dat denkt u. Want u weet niet het verschil tussen werken en tussen geloof.
Wil je deel krijgen aan de zaligheid, dan krijg je daar deel aan door werken of door het geloof. Dat zijn altijd de twee kanten in de Bijbel. Je verdient het door goed je best te doen en dan krijg je een beloning. Dat klinkt vertrouwd, dat ligt in de lijn van ons aardse denken: als je niet werkt, krijg je ook geen loon.
Maar in het koninkrijk van God is het precies andersom. Daarom moet er een knop, een knop om in uw hoofd en in uw hart. Want in het koninkrijk van God is het die niet werkt, die krijgt loon.
En dan zegt u natuurlijk, uw natuur, uw natuur zegt: 'Dat is oneerlijk!' Want die er hard voor gewerkt heeft, die krijgt het niet, en die er niks voor gedaan heeft, die krijgt het. Maar u snapt het niet goed, want ik laat iets belangrijks achterwege om u te laten schrikken.
Want er staat namelijk in de Bijbel, in Romeinen 4 vers 5, catechisanten, jullie moeten dat weten: 'Die niet werkt, maar gelooft in Hem, die gelooft in Christus, die krijgt loon, maar niet omdat hij gewerkt heeft, maar omdat Christus voor hem gewerkt heeft.' Dat verkondigt Gods dienaar u zondag aan zondag. Dat noemen wij de belofte van het evangelie.
En die worden onvoorwaardelijk, onvoorwaardelijk bij u gebracht, wie u ook bent, wat u op uw kerfstok hebt of hoe u ook uw gedachte en uw hart gericht is. Maar niemand wordt uitgesloten van de belofte van het evangelie.
Ik denk dat heel veel mensen dit in de kerk niet geloven, want ze denken dat je daar geschikt voor moet zijn of dat God een aanknopingspunt zoekt in u voordat Hij, voordat Hij de belofte schenkt. De één denkt: 'Je moet vroom zijn', en de ander denkt: 'Je moet eerst met de zonde breken.' En die dominee die zegt: 'Nee, het is voor goddelozen en voor zondaren.' Dan gaat er in uw onderbuik iets mis, dan krijgt u een heel weeë gevoel van binnen dat je denkt: 'Ja, maar dat gaat zomaar niet!'
Maar u hebt niet in de gaten dat u God niet serieus neemt. En u hebt niet in de gaten dat u door ongeloof, door ongeloof God in de weg staat.
Even kort, want ik wil naar zondag 7 toe. Maar de eerste zondagen die gaan over de doodstaat van een mens, dat we in zonde ontvangen en geboren zijn, u en ik, en dat wij niet aangenaam zijn voor God. Ook uw bidden niet en uw bijbellezen niet.
Aan zulke mensen, aan zulke schepselen, aan zulke zondaren, of dat u nou uzelf een zondaar voelt of u voelt uzelf geen zondaar, maar u bent het, u bent het, daar wordt aan verkondigd de belofte van het evangelie. Die belofte kun je niet kopen, die kun je ook niet afkopen, die kun je ook niet doorwerken, door werken krijgen. Maar die belofte wordt je onvoorwaardelijk aangeboden.
Zeg niet vanavond: 'Dat kan niet.' Wend u naar Mij toe en wordt behouden, alle gij einde der aarde, want Ik ben God en niemand meer. Ik zal u onder laten sneeuwen onder de belofte van het evangelie. U komt de belofte toe en uw kinderen ook, jou en allen die daar verre zijn, zovelen als de Here onze God ertoe roepen zal, uit wat voor windstreken van de aarde vandaan. Maar aan u komt de belofte toe.
Dit moet geloofd worden. Het is één van beide: of u veracht het en verwerpt het, of u omhelst het. Om een ander woord voor geloof te gebruiken: u eigent het u toe. U moet niet zeggen: 'Dat is remonstrant', maar je eigent je toe wat God je aanbiedt. En nogmaals, God wil er geen geld voor en geen goede werken. Maar God wil dat je als een goddeloze vertrouwt op hetgeen wat Hij u aanbiedt. Geen lang leven, geen rooskleurig leven, maar God biedt ten diepste zijn Zoon aan in de verkondiging van het evangelie.
En dan zegt de Bijbel: 'En Abraham geloofde God.' Geloven doet God niet voor u, hoor. U schrikt weer, weer zo'n onderbuikgevoel: 'Zie je wel, die dominee doet net alsof dat wij geloven kunnen.' Zo gaat u naar de hel, zo bent u op reis naar de eeuwige verlorenheid. Maar die niet werkt, maar die gelooft in Christus, die de goddeloze rechtvaardigt, die ontvangt loon. En die werkt en die vertrouwt erop dat hij door zijn werken straks behouden wordt, die gaat verloren.
Geloven betekent ophouden met werken. Geloven betekent je overgeven aan Gods belofte, wat God belooft door die kennis, die kennis die je door het horen van het woord krijgt. Daarom moet ik het misschien wel 100 keer aan jou vertellen. Moet ik getuigen, wat ik geroepen ben om daarvan te getuigen, dat u de 200e keer dat het doorgaat dringen in uw hoofd, dat het waar is, dat God waar is, dat God niet liegt, maar dat zijn beloften waarachtig zijn. Dat je door het horen daarvan kennis, kennis krijgt in je hoofd dat je niet zalig wordt door werken en door prestatie, ook niet door bidden, ernstig bidden, serieuzer bidden.
Als je dat als een werk ziet waardoor je denkt straks loon te krijgen, krijg je geen loon, omdat de Bijbel dat zegt. De Bijbel die zegt dat je het krijgt, die niet werkt, die ophoudt met werken. Dat betekent dat je het ophoudt om van jezelf te verwachten.
En als u het woord niet gelooft, lieve gemeente, ik hou veel van u, maar u bent een hoogmoedige man en een hoogmoedige vrouw. U doet heel nederig, u doet net alsof u afhankelijk bent van Gods geest, maar u bent zo hoogmoedig dat u God niet gelooft.
Wat is dan een waar geloof? Waarom moet dat woordje 'waar' er nou bij? Nou, daar bent u natuurlijk doodsbang van. U bent natuurlijk bang dat gij uzelf bedriegt, want het moet wel waar zijn, dominee. Zo worden mensen ook 80 en 100, hun hele leven bezig om te onderzoeken of dat hun geloof wel deugt. Misschien u ook wel. Heb ik een tijd geloof of heb ik een wondergeloof of een schijngeloof? Daar waarschuwt de Bijbel ons toch voor.
En zo liggen mensen soms 's nachts wakker, wakker door angst, angst, aangepraat angst. En ze kunnen er niet van loskomen, want ze zijn bezig om hun geloof te toetsen of hun geloof wel klopt. Maar het gaat helemaal in de eerste plaats niet om het geloof zelf. Het geloof is de manier, de manier hoe de Heilige Geest in ons werkt, de wijze hoe God werkt in levens van mensen. Dat is dat God werkt door het geloof.
Maar het gaat niet om het geloof zelf, maar om het voorwerp van het geloof. En wat is dat voorwerp dan? Dat zijn Gods beloften, dat God dingen belooft in de Bijbel. En dat geloof, dat kan soms zwak zijn, zo begint het vaak wel, maar het is geloof. En in dat geloof wat God in je hart werkt, daar zit kennis, [Muziek] kennis, maar ook vertrouwen. Dat heeft namelijk iets te maken met je hart.
Als het alleen in je hoofd zit, dan noemen wij dat een historisch geloof. Dat hebt u allemaal, anders zat u hier niet. Maar een historisch geloof is geen waar geloof. Dat zit alleen maar in je hoofd en misschien ook nog wel in je onderbuik, maar het zit niet in je hart. Het merg, het merg van het ware geloof, dat zit niet alleen in je hoofd, maar ook in je hart. Dat betekent dat dat geloof niet alleen is, dat geloof heeft een metgezel en dat is de liefde. Historisch geloof heeft geen liefde, heeft ook geen hoop. Historisch geloof is een kennis dat je gelooft dat de Bijbel van kaft tot kaft waar is. Dat ga je voor eeuwig mee verloren, want het moet niet alleen in je hoofd zitten, maar ook in je hart.
En hoe komt het dan in je hart? Daar zit u misschien mee. Luisteren, luisteren. God wil dat geloof werken. Dat is geen werk, dat is geen actie. Dat is niet uw mouw opstropen en zeggen: 'Nou ga ik vertrouwen.' Maar geloof is een gave van God.
Oh gelukkig, dominee, nou kan ik weer ademhalen. Nou, ik ga straks weer naar huis en als God het geeft, dan geeft Hij het, en geeft Hij het niet, dan geeft Hij het niet. U blij, u blij, hè? Kan je weer verder leven, kan je weer onbezorgd verder leven totdat God het behaagt. Weer van die platgetreden paadjes.
Als er in de Bijbel gesproken wordt over een gave van God, dan moest u eigenlijk onder de bank kruipen van verwondering dat God het u geven wil. Want als God niet gewild had dat u, dat u geloof kreeg, dan had het nooit gekomen. Maar het behaagt God om door de prediking van het woord aan u en aan mij mee te delen dat je niet alleen uit genade zalig wordt, maar je wordt ook zalig door een geschonken geloof. Dat hoef je niet te verdienen, dat kun je niet verdienen. Het is niet voor verdieners, het is voor degene die gewerkt hebben? Nee, die opgehouden zijn.
Want zolang als je nog werkt, is er geen plaats voor geloof. Geloof is juist een troost voor uitgewerkten, dat je tot de ontdekking komt: 'Ik red het gewoon niet. Ik beloof wel veel aan God, maar ik kom het niet na.' En dat God tegen u zegt en tegen jou zegt: 'U komt de belofte toe en Ik wil dat geloof ook in je hart werken.' Daarom ben je hier in de werkplaats van de Heilige Geest, om dat vertrouwen in je hart te werken.
Dan gaat het bij de één plotseling, zomaar op de weg naar Damascus, wordt je zomaar in je kraag gegrepen. Dat kan, dat doet God vandaag nog, jongens, radicaal. En je wordt meegenomen en God zendt een dienaar om Saulus van Tarsus vrij te spreken van schuld en straf. Bij de ander gaat het soms geleidelijk, niet zo opzienbarend. Daar ben ik trouwens ook bang van geworden, van al die bijzondere radicale... Nou, ik heb het gezien, dat plantje wat zo radicaal uit de grond schoot. Daar zit u op te wachten en u zegt: 'Zie je wel, mijn onderbuik zegt het, het is niet echt bij mij, want ik heb dat niet.' Wat hebt u niet? Dat plantje wat uit de grond schiet.
Dat noemt de Bijbel een, of misschien ook wel een oppervlakkig geloof. Want als dat hoogtepunt weg is, dan blijkt vaak in de praktijk dat alles weg is, want het had geen diepgang. Het zaadje was niet gestorven in stilte in je hart. Dus laat u niet door de duivel, laat uzelf niet benauwen, want iets opzienbarends is geen kenmerk van het echte.
Weet u wat het kenmerk is van het echte? Dat de Heilige Geest door het ruisen van een zachte stilte dat wonderlijke geloof door het horen van het woord in je hart werkt. Sommige mensen die zeggen: 'Als je de dag en het uur niet kan weten, dan klopt het niet.' Ook weer zoiets wat het kleine en het zwakke geloof soms aanvecht, waardoor die volle zekerheid maar niet kan doorbreken, omdat je allemaal aan het toetsen bent of je geloof echt is.
Ja, maar dominee, er is ook veel schijngeloof. Daar word je bang van. Waarom ben je er bang voor? Omdat ik mezelf zo'n schijnheilige vind. Oh ja, wie zal zeggen: 'Ik ben oprecht'? Dat ben je pas als je tot Christus gekomen bent door een eenvoudig geloof. Dan ben je in de ogen van God een rechtvaardige.
Maar hoe, hoe kom ik daar? Hoe kom ik op dat punt, dominee, dat ik vertrouwen mag op hetgeen wat God beloofd heeft? Ik zal u Christus prediken. Zolang ik de adem in mijn keel heb, zal ik Hem u aanbieden, omdat u niet anders meer kan, straks niet anders meer kan en al uw weerstand, uw weerstand en uw tegenstand opgeeft en dat u als een verloren zondaar valt in de armen van Christus, waardoor u eniger mate vrede in uw hart krijgt die alle verstand te boven gaat.
En dat God tegen je zegt, hè? Oh, kon ik het maar eens zeggen. Nee, God zal het zelf zeggen. Dat God tegen je zegt: 'Omdat je op Mij vertrouwd hebt, op Mij vertrouwd, ben je in Mijn ogen een rechtvaardige. Dan reken Ik, dan reken Ik,' zegt God, 'op jouw rekening toe, omdat je op Mij vertrouwt, dat je zonder zonde bent in Mijn ogen.'
En Abraham geloofde God. Was dat alles? En het werd gerekend, toegerekend, op zijn rekening geschreven dat hij een rechtvaardige was. Daar staat hij in de nacht, u kunt het nou inmiddels wel dromen na vier jaar, daar staat Abraham in de nacht van zijn leven en God zegt: 'Zie je die sterren, Abraham?' En Abraham zegt: 'Ja, Here.' En zijn vrouw staat naast hem, onvruchtbaar, baarmoeder gestorven, een onvruchtbare vrouw en een onvruchtbare man. En God zegt: 'Zie die ster, Abraham.' 'Ja,' zegt Abraham. En Abraham geloofde dat dat zijn nageslacht zou worden. Kan helemaal niet, kan geen kinderen meer krijgen, uitgesloten, verloren. Maar Abraham vertrouwde erop wat God gezegd had. En God zei: 'Zo zal jouw nageslacht zijn.' En Abraham zei: 'Ja, Here, het zal gebeuren omdat U het beloofd hebt.' En toen Abraham de belofte uitsprak in het geloof, toen zei God: 'Abraham, omdat je op Mij vertrouwd hebt en niet op je vrouw en niet op je vruchtbaarheid van jezelf die er niet was, maar omdat je onvoorwaardelijk je overgegeven hebt aan wat Ik gezegd heb, ben je voor Mij een rechtvaardige.'
Wat is een waar geloof? Dat is niet alleen een stellig weten, dat is niet een emotie, is geen gevoel alleen. Natuurlijk, er kan heel veel gevoel zijn en dat is er ook vaak, maar dat is altijd nog geen geloof. Geloof rust op het woord. Geloof neemt het, geloof heeft iets te maken nog een keer met hoofd en met hart.
Ja, dat God met mij begonnen is? Nee, dat is geen geloof. Dat ik veel last van mijn zonde gehad heb, dominee? Dat is geen waar geloof. Dat kan er allemaal zijn, hetzij ervoor of erna, het diep of minder diep. Maar het geloof dat vertrouwt op hetgeen wat God beloofd heeft.
Wat heeft God beloofd? Wie op Mij vertrouwt, diens zonden zijn vergeven. Het kleinste geloof wat de Heilige Geest geven wil, dat vertrouwt erop dat God zijn zonden vergeven heeft. Nee, niet dat mijn zonden vergeven zullen worden.
Zo leven mensen ook op de aarde, omdat ze beloftes zien zoals het in de natuur gebruikt wordt. Dan zeggen we: 'Kijk, er wordt je iets beloofd, maar dan heb je het nog niet, want je kan het natuurlijk wel door de etalage eruitzien, maar dan is het nog niet je eigendom, want er zit nog een ruit tussen.' En zo zijn we nog meer van die fratsen, op de bus wachten, weet je wel, en ik hoop dat hij komt, maar ja, kan voor hetzelfde geld niet komen. Dat we door platgetreden paardjes onderscheid maken tussen de belofte van het evangelie en de vervulling van het evangelie.
Maar onze Heidelberg zegt: 'Een waar geloof kun je niet losmaken van de vergeving der zonden.' Dat mag niet en dat kan ook niet, want het geloof is een rechtvaardig geloof. Er is geen waar geloof zonder vergeving der zonden.
Dat Gods kinderen, de gelovigen, het altijd niet zo bewust zijn en de volle zekerheid soms missen en bij tijden geslingerd kunnen worden: 'Zijn mijn zonden wel vergeven?' Maar bij het kleinste geloof daar hoort eniger mate, eniger mate vrede bij God bij en dat je ook eniger mate weet dat je zonden vergeven zijn.
En wat volgt daar dan op? Is het dan klaar? Nou, aan één kant klaar, want als je dat mag belijden, dan ben je rechtvaardig voor God en dan zal God nooit meer op je toornen en nooit meer op je schelden, want het geloof eigent, eigent het zich toe wat God beloofd heeft. Dat is een lieve Zoon u aanbiedt die, die het oordeel wilde dragen, die voor u neer wilde dalen in de hel. En het geloof zegt: 'Ook voor mij.'
Nogmaals, dat kan plotseling gaan en geleidelijk gaan, maar daar gaat het niet om. Zo lopen mensen soms lang in het donker met weinig troost, weinig vrede in hun hart uit onkunde, omdat het evangelie bedekt wordt gepredikt. Maar het is dood of leven, gemeente. We zijn in Christus of we zijn buiten Christus.
Het is zo'n mooi beeld in Johannes 15, hè, dat je in de wijnstok Christus wordt ingeënt en dat je één wordt, één wordt met de wijnstok. Het geloof, het geloof maakt mij één met Christus. Dat doet het geloof: Hij de mijne en ik de zijne. En dat je dan nog een leven lang nodig hebt dat God uitpakt, uitpakt hetgeen we in Christus ontvangen hebben.
Het zwakste geloof, het kleinste geloof, het meest aangevochten geloof is schatrijk. Hoorde van de week iemand zeggen die zegt: 'Ja, maar we worden eerst een babytje en dan gaan we ons bevuilen, dan kunnen we alleen maar huilen.' Ik zeg: 'Oh, gaat het zo in het koninkrijk van God? Dan ben je al een kind van God omdat je je eigen bevuilt, omdat je schreeuwt om eten?' Dan gaan we het beeld van de natuur scheeftrekken als het gaat om wedergeboorte.
Maar de zuigelingen in de genade hebben, hebben, hebben eniger mate vrede met God. En er kan strijd overkomen en aanvechting en er kunnen tijden van duisternis over je heen komen. Kan allemaal waar zijn, maar je bent voor God in Christus rechtvaardig.
Nou, dominee, dit maakt wel hoogmoedig de mensen, hoor. Dacht u het echt? Dan hebt u het niet begrepen. Want hoe meer dat God laat zien wat je door het geloof ontvangen hebt, hoe kleiner dat je wordt in je eigen oog. Dan is de oefening van het geloof: Hij moet wassen en inderdaad het gevolg is dat ik minder word en minder word, opdat Hij al de lof en de eer krijgt.
Hoor je het wel? Volgens mij hoor je het niet. U die de verschijning van de Here Jezus Christus hebt liefgekregen, al ligt het op de bodem van je hart, al komen de duizend duivelen tegenop, maar uw zonden zijn u vergeven.
Ik hoor het nog door de sleutelen van het Hemelrijk. Misschien wordt u me een beetje zat, nou, na vier jaar, dat snap ik hoor, maar probeer het toch op te eten. Maar de sleutel van het Hemelrijk zijn dat ik mag verkondigen en ik moet het verkondigen en ik zal niet zwijgen, ook dat een ieder die in de gekruisigde Christus gelooft, hoor je het, dat ik tegen diegene moet zeggen van mijn Meester: 'Uw zonden zijn u vergeven!'
Omdat u in vrijheid met blijmoedigheid de strijd aangaat tegen de duivel, de wereld en uw eigen vlees, met de vrijheid die je hebt gesmaakt, al was het in beginsel, in Christus Jezus onze Here.
Wat is een waar geloof? Wat God ons in zijn woord geopenbaard heeft. Ik sprak vorige week in Elspeet over Kaïn en Abel. En toen zei ik: 'Abel had maar één belofte, één.' En de zwarte nacht van de zondeval die lag nog zo vers in het geheugen. En God beloofde notabene aan de duivel: 'Ik zal vijandschap zetten.' En Abel geloofde God dat ondanks de diepe val dat hij het menselijk geslacht hebt meegenomen in het eeuwig verderf.
Geloofde Abraham God en het werd hem gerekend tot rechtvaardigheid. En Abel zei, en Adam zei tegen zijn vrouw Eva: 'Jij heet voortaan Heva. Jij bent de moeder alle levende.' Wij hebben, wij hebben het menselijk geslacht meegesleurd in de eeuwige gedachte. Maar God belooft: 'Ik geef in andere naam Eva, moeder alle levende. Jij zal die man voortbrengen die God belooft in de belofte. Uit jouw Eva zal de Messias geboren worden.'
En ik heb Hem u verkondigd. Ik heb Hem u in de schoot gelegd. Hij is geopenbaard in de schriften. We hebben 66 Bijbelboeken die getuigen ervan, waarvan dat God waar is, dat God doet wat Hij belooft. Een ieder die op Hem vertrouwt.
En onze Heidelberger zegt dat een waar geloof iets te maken heeft met kennis en vertrouwen op de geopenbaarde belofte van God in zijn woord aan ons gegeven. En elke zondagavond dan belijden wij met de kerk van alle tijden en plaatsen de 12 artikelen van ons algemeen, ongetwijfeld Christelijk geloof. De Heidelberger noemt dat beloften, 12 op een rij.
En het geloof, het geloof zegt: 'Amen.' Het geloof zegt: 'Het is waar en zeker. Ik geloof in God de Vader en ik geloof in God de Zoon en ik geloof in God de Heilige Geest en ik geloof in één algemene christelijke kerk en ik geloof in de vergeving der zonden.'
Wat hebt u een groot geloof, zegt u misschien wel van die man en die vrouw. Nee, we hebben grote beloften. Al is het geloof nog zo zwak, maar het geloof klampt zich vast aan de belofte. Ik geloof, al zegt de duivel en mijn vlees en mijn zondige aard, al zegt hij het tegenovergestelde, maar ik geloof in God de Vader en ik geloof in God de Zoon en ik geloof in God de Heilige Geest, dat niet alleen bij anderen, maar ook bij jou.
Geloof is niet iets algemeens of zo. Geloof heeft ook iets te maken met een persoonlijk getuigenis, dat niet alleen anderen, daar kan ik het misschien nog voor geloven, maar nou voor mij is het echt waar, dominee. En het geloof zegt: 'Het is ook voor mij, Hij voor mij.' Daar wil ik anders, ik wil het zeker weten dat het waar is. Is het echt voor mij?
En God laat de belofte verkondigen dag aan dag, uur na uur. Ik las van de week bij een oudvader die zei: 'Het zijn druppels uit de hemel en vroeg of laat dan kerft de rots in tweeën.' Omdat het geloof niet alleen is, maar het geloof is samen met de liefde en met de hoop, de drie matrozen, de drie matrozen die in het levensscheepje komen wonen, dat ik mag weten.
Oh, daar zijn we bang voor, hè, dominee? Tegenwoordig weten ze het allemaal. Oh ja, en ze geloven maar en ze nemen het maar aan. Als u het nog nooit hebt aangenomen, dan staat u er voor eeuwig buiten. Ik kan nog zo de rijkdom preken in Christus, maar het moet wel aangenomen worden.
Ik weet dat u misschien wel niet van dat woord houdt: 'Dat doen huichelaars.' Nee, dat is activisme, dat zijn remonstranten. U bent aardige mensen. U loopt nog veilig op de platgetreden paadjes, maar ze eindigen straks in het verderf. Ik roep u op tot geloof en tot bekering.
Dat doe ik niet zomaar in de ruimte, we nemen afscheid van elkaar. Maar ik verkondig de belofte tegen de zwarte nacht van uw val in het paradijs, dat u dood bent in zonden en in misdaden en dat de toorn van God op u rust. Tegen die achtergrond verkondigen wij Gods belofte dat een ieder die in de Zoon gelooft, daar wordt verkondigd, daar wordt tegen gezegd dat hij het eeuwige leven ontvangt. Maar het moet wel geloofd worden, het moet wel omhelsd worden. Ik zoek naar woorden, het moet wel toegeëigend worden.
Zie je wel, dominee, ik heb het altijd al gedacht, zei iemand van de week: 'U bent nog in staat om het toe te eigenen, lieve vriend.' Je hebt het niet begrepen, je luistert met één oor. We hebben aan de ene kant de doodstaat gepreekt: er is uit u in der eeuwigheid niets meer te verwachten. En geloof is een gave die God gaarne aan u geven wil, omdat u door dat geloof, door dat, dat geloof toeëigent, toeëigent wat God u aanbiedt.
Ja, maar ze stelen het. Je kunt het evangelie niet stelen. En als je daar iets wil mee zeggen, wie iets mee wil zeggen dat mensen niet oppervlakkig moeten geloven, dan moet u het zo zeggen en geen 'stelen' noemen. Want iets wat je aangeboden krijgt, maar ik weet niet of je het gelooft, mijn jongen, dat God het jou aanbiedt, want je handen kleven nog van bloed en je hart zit vol ongerechtigheid. Maar ik verkondig je de belofte van het evangelie, omdat je het aan zou nemen, er voor zou buigen, het zou omhelzen. Wie dat doet, die ontvangt het eeuwige leven.
En ik moet dat verkondigen, want dat wordt niet verteld vanuit je on, maar het moet verkondigd worden dat een ieder die dat doet, die is behouden. Ik heb alleen maar herhaald wat ik vier jaar lang gezegd heb en misschien de Heidelberg nog steeds niet geen recht gedaan heeft, het zij zo.
Ik wilde dit aan u kwijt, want ik wil niet dat er één van u verloren gaat. Dat komt niet bij mij vandaan. Maar dat is onze Meester die zijn bloed gestort heeft om u te kunnen zaligen. En dat bloed, dat is genoeg, genoegzaam om jullie allemaal te zaligen. Er is geen tekort aan het bloed van Jezus Christus.
Daarom sprenkel ik het op u, dat is mijn roeping. Als ik dat niet doe, dan moet u het gaan halen en dat is onmogelijk, want u hebt geen been om te lopen. Maar daarom brengt God het bij u zo dichtbij, zo dichtbij dat niemand van u verloren hoeft te gaan.
En als je verloren gaat, dan ga je als een vijand van God verloren, omdat je de liefelijke nodiging van de Here Jezus door ongeloof hebt afgewezen. Het spijt me, we moeten eerlijk zijn, dat wilt u toch? Het is één van beide.
Amen. Zo ik niet had geloofd dat in dit leven mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou. En wat er verder volgt in 27, het 7e vers. [Muziek] zo [Muziek] [Applaus] hij zal God [Muziek] en zal op mij [Muziek] goden inen in al in [Muziek] van Hij is ver de L hu Z zij voor u [Muziek] is veru l mij Heer.